Waarom het dragen van een baby logisch is.

Met dank aan: Nele Allaert – www.buiktegenbuik.be

 

In de natuur kan je dieren indelen naargelang de aard van hun jongen. Je hebt nestvlieders en nestblijvers.

 

NESTVLIEDERS (vluchters) zijn jongen die meteen na de geboorte al mee moeten kunnen met hun ouders. Ze zijn bij hun geboorte vrij ontwikkeld en lopen al na enkele minuten rond. Hun melk is eiwitrijk zodat de jongen snel kunnen groeien. Wanneer een jong zijn moeder kwijtraakt, begint hij luid te roepen om haar zo snel mogelijk terug te vinden.

Voorbeelden: paard, giraf, olifant, koe.

 

 

 

 

 

 

NESTBLIJVERS (verstoppers) worden zwak en onderontwikkeld geboren. Ze zijn vaak naakt en kunnen zich heel beperkt bewegen. Hun oren en ogen zijn dicht. Ze zijn volledig afhankelijk van hun moeder om te overleven. Nestblijvers moeten de eerste weken na de geboorte in hun nest blijven terwijl de moeder op jacht gaat naar voedsel. De melk van nestblijvers is zeer vet zodat ze acht uur alleen kunnen blijven. De jongen houden zich tijdens de afwezigheid van hun moeder stil om geen roofdieren te lokken.

Voorbeelden: konijn, hond.

 

 

 

Lang dacht men dat alle zoogdieren in één van deze groepen pasten.

In de jaren ’70 onderscheidde men een derde categorie: de draagling.

 

DRAAGLINGEN worden hulpeloos geboren, maar hun zintuigen functioneren. Ze worden door hun ouder gedragen, omdat ze zich nog niet of onvoldoende alleen kunnen voortbewegen. Het skelet is zo ontwikkeld dat ze zich optimaal kunnen vastgrijpen aan de moeder. De melk bevat minder eiwitten dan die van nestvlieders en minder vetten dan die van nestblijvers. Ze is daarentegen rijk aan koolhydraten, die de groei van de hersenen bevordert. Draaglingen moeten regelmatig kleine porties melk krijgen om in hun voedingsbehoeften te voorzien. Ze moeten dus dicht bij hun moeder blijven om voorzien te worden van warmte, voedsel en bescherming. Wanneer ze van hun moeder gescheiden raken, beginnen ze meteen in hoge nood te roepen.

De bekendste draaglingen zijn apen.

 

 

 

DE MENS IS OOK EEN DRAAGLING.

Een baby wordt hulpeloos geboren, maar is niet doof en blind. Je kan een baby niet zomaar acht uur alleen laten. Hij moet dicht bij zijn verzorger zijn om zijn lichaamstemperatuur te reguleren en om zich frequent te voeden. Wanneer hij zijn verzorger niet kan voelen, zien, horen, ruiken begint een baby vaak hard te huilen. Dit noemt men contacthuilen. Een baby weet instinctief dat hij zonder zijn verzorger reddeloos verloren is.

 

Ook de anatomie en reflexen van een baby zijn gericht op gedragen worden. Pasgeborenen hebben O-benen en naar elkaar gerichte voeten om zich ‘vast te klemmen’. Wanneer je hen opneemt, trekken ze hun benen op en spreiden ze die. De grijpreflex en schrikreflex wijzen ook op een geschiedenis van dragen.

De heupen en de rug van een baby zijn gemaakt om gedragen te worden, niet om continu plat te liggen.

 

 

Vanuit onze geschiedenis, instincten, behoeften en de fysieke, cognitieve, motorische, neurologische en fysiologische ontwikkeling van onze soort, kan je eigenlijk maar tot één conclusie komen:

DRAGEN IS HEEL LOGISCH.